Tussen 1934 en 1941 heeft in de Wieringermeer een joods werkdorp bestaan, waar een groot aantal door de nazi's vervolgde jonge Duitse joden een toevlucht vonden. De eerste vluchtelingen betrokken in maart 1934 het werkdorp, in 1939 kamen de laatsten uit Duitsland en Oostenrijk, meestal rechtstreeks uit het concentratiekamp. Deze jonge mensen vonden in de Wieringermeer een veilig tehuis en nieuwe toekomstmogelijkheden. Voor de jongens was er een tweejarige herscholing tot boer of ambachtsman, terwijl de meisjes een kortere opleiding in de (landbouw)huishouding konden volgen. Met deze opleiding hadden de werkdorpers goede emigratiekansen, met name voor Palestina. De Nederlanders werden aangespoord tot het geven van financiële hulp om van moedeloze verschoppelingen trotse werkers in een nieuw land te maken' opdat hen later, in gelukkiger tijden, het Joodse werkdorp als een lichtpunt in donkere dagen zou bijblijven. In juli 1941 werd het werkdorp door de Duitse bezetter opgeheven.
Tot dan hadden circa 750 vluchtelingen in de Wieringermeer een opleiding gevolgd. Van de 300 leerlingen die in mei 1940 aanwezig waren verloren tijdens de oorlog meer dan de helft het leven in een concentratiekamp. Na de oorlog bleven de overlevenden van juist deze groep, hoewel verspreid over de hele wereld, onderling een intensief contact onderhouden.