|
De
pionierster was de 29-jarige mej. C. C. van Harlingen uit De
Bilt. Toen de inspecteur van het onderwijs in het district Den
Helder haar in oktober 1931 vroeg om aan een groepje kinderen in
de pas drooggevallen Wieringermeer te gaan onderwijzen, voelde
ze daar veel voor. Eerlijkheidshalve vertelde de inspecteur haar
dat er niets was dat op een school leek. Ze zou kunnen
beschikken over een leeg huis, wat tafels en stoelen en een
kachel. De kinderen konden het schooltje vooral bij slecht
weer
moeilijk bereiken en er waren totaal geen vervoergelegenheden.
Deze omstandigheden schrikten mej. Van Harlingen niet af en
enkele weken later reisde ze met haar moeder naar het voor hen
beschikbare woonhuis bij Sluis 1. De reis viel niet mee. De
verhuiswagen had pech en de dames moesten met hun bezittingen
per schuit naar het toekomstige Slootdorp varen. Bij de bagage
waren een paar grote pakken met leermiddelen en
schrijfbehoeften, die door uitgevers beschikbaar waren gesteld.
Het was in die tijd bij Sluis I gebruikelijk 's avonds vroeg te
gaan slapen, want voor dag en dauw verscheen een tractor, die
het terrein bij de huizen egaliseerde. Hij maakte zoveel lawaai,
dat men geen oog meer dicht kon doen. En dus was mej. Van
Harlingen al vroeg bezig met het treffen van voorbereidingen
voor het geven van onderwijs. Kandidaat Finkensieper die als
geestelijk verzorger in het kamp woonde, maakte inmiddels op een
groot biljet bekend dat maandag 2 november de school geopend zou
worden. Er kwamen 13 kinderen van uiteenlopende leeftijden. Ze
gingen naar het 'lokaal', de woonkamer van het lege huis. Het
schuurtje was als garderobe ingericht. Mej. Van Harlingen had
zelf een onderwijssysteem ontworpen. Omdat ze de kinderen moest
verdelen over zeven klassen zette ze hen klas bij klas bij
tafeltjes. Elk klasje kreeg een weektaak. De onderwijzeres moest
beurtelings aan elk groepje aandacht besteden, maar uiteraard
het meest aan de beide laagste. Daarbij deed de omstandigheid
zich voor dat het aantal leerlingen steeds veranderde. Geregeld
kwamen er twee, drie of meer nieuwelingen die weer in de
bestaande klasjes moesten worden ingepast.
Het schooltje trok veel belangstelling. Er stapte wel eens een
leverancier binnen, die dacht dat hij bij een gewoon woonhuis
was. Een onverwachte gast was op een keer de toenmalige minister
van Waterstaat, mr. P. J. Reymer. Hij kwam op een zaterdag - de
dag, waarop de kinderen vrijaf hadden - en dus moesten de
leerlingen snel bij elkaar worden gehaald om zijne excellentie
te laten zien hoe er in de Wieringermeer onderwijs werd gegeven.
De hele ministerraad - op de minister van Oorlog na - is ook een
keer op bezoek geweest. Het schooltje van Sluis 1 leek wel een
bezienswaardigheid te worden. Persfotografen kwamen ook geregeld
langs. De kinderen raakten er aan gewend en lieten zich
nauwelijks meer afleiden, zelfs niet door filmers van het
bioscoopjournaal. Er kwamen kinderen uit gezinnen van velerlei
richting, al waren er in het begin weinig katholieke. Maar
evenals kandidaat Finkensieper had ook pastoor Braak een grote
belangstelling voor het schooltje en dat waarlijk niet alleen
omdat in het klasselokaal aanvankelijk de zondagse protestantse
en katholieke kerkdiensten werden gehouden. De beide
geestelijken organiseerden voor de kinderen een prachtig
Sinterklaasfeest, al lieten ze de rollen van de heilige en zijn
knecht aan de kok en de hulpkok uit het kamp over. Een klooster
bood eigengemaakt speelgoed aan en een geldinzameling leverde
heel wat op voor de andere cadeaus en de versnaperingen.
Uitbreiding van het onderwijs
Het aantal leerlingen bleef snel stijgen; soms moesten kinderen
zelfs een poosje op een wachtlijst staan eer ze konden worden
toegelaten. Mej. Van Harlingen kreeg er wel een hulpkracht bij,
maar het grootste probleem was dat de ruimte te klein werd. En
daarom werd overgegaan tot de bouw van een geheel nieuwe school.
De bijzondere omstandigheden in de Wieringermeer leidden er toe,
dat deze school niet het gebruikelijke karakter had. Stichting
van een rijksschool zou niet alleen formele bezwaren oproepen,
maar er kon ook verwacht worden, dat verschillende ouders er
weinig voor zouden voelen om hun kinderen naar een
overheidsschool voor gewoon lager onderwijs te laten gaan. Dit
zou al spoedig tot splitsing in het onderwijs leiden en dat kon
men in de nieuwe polder bepaald niet gebruiken. De Wieringermeerdirectie stak, om tot een goede oplossing te komen,
haar licht op bij figuren op het gebied van het bijzonder
onderwijs in zijn verschillende schakeringen. Gemeenschappelijk
overleg leidde er toe dat in maart de stichting De Wieringermeerscholen werd opgericht. Het bestuur werd gevormd
door twee leden van de directie en drie vertegenwoordigers van
het bijzonder onderwijs. Het doel van de stichting was om
tijdelijk in de behoefte aan algemeen vormend onderwijs (met
inbegrip van godsdienstonderwijs) te voorzien. Erkenning van elkaars godsdienstige en kerkelijke
opvattingen vormde de grondslag. De school die in augustus te
Slootdorp in gebruik werd genomen begon 's morgens om kwart voor
negen; dat
was een kwartier eerder dan elders in het land. Wie protestants
of katholiek godsdienstonderwijs wilde ontvangen kreeg dat van
een daartoe aangewezen leerkracht tot kwart over negen. Daarna
begonnen de algemene lessen. De samenstelling van het
leerlingenbestand was ook sterk afwijkend van het normale. In
1933 waren de kinderen
die in Slootdorp het onderwijs gingen volgen, afkomstig van niet
minder dan 65 verschillende scholen. Ze kwamen uit alle delen
van het land. Voor de leerkrachten was het dan ook een zware
opgaaf het onderwijs op peil te brengen. Dat gold vooral voor de
hoogste klassen, waarvan de leerlingen op hun vorige scholen
soms nog al verschillende leerstof hadden gehad, terwijl hun
vorderingen sterk uiteenliepen. De leerlingen werden dan ook
eerst getest eer ze in een bepaalde klas werden geplaatst.
Daarbij deed zich soms het geval voor, dat iemand hoger kon
worden geplaatst dan op de school die hij verlaten had, maar ook
het omgekeerde was wel eens het geval. Hoewel de meeste kinderen
elkaar totaal niet kenden was
hun onderlinge verhouding over het algemeen goed, maar het viel
wel op dat leerlingen uit een bepaalde landstreek elkaar vaak
opzochten.
|